Spring naar inhoud

De Doop een Testament

Kohlbrugge geeft ergens (waar?) een uitleg van wat de doop betekent.

Ik kan hier niet instaan voor de juiste weergave van zijn gedachten, maar ik wil hier kort de gedachtegang zoals ik mij die kan herinneren weergeven.

Hij vergelijkt de Heilige Doop met (het zegel van?) een Testament en geeft aan dat in het Testament de hele erfenis aan de gedoopte vermaakt wordt. Alles is voor hem of haar.

Hij legt uit dat als dit Testament ons niets kan schelen en wij laten het Testament slingeren en wij verliezen het dat wij dan geen nut van de Doop zullen hebben. Alleen waar wij met het Testament naar de notaris gaan kunnen wij de erfenis ontvangen.

Dit is mijns bescheiden inziens een helder voorbeeld van wat de Doop is en hoe zij werkt, geheel in lijn met het klassieke doopformulier. Dit zegt feitelijk: In Christus heeft u alles. Maar het is wel zaak dat wat wij in Christus hebben ons door de Heilige Geest en dus door het geloof wordt toegeëigend.

 

Is preken Gods woorden spreken?

Bij dezen een primaire reactie op het stuk van Maarten Wisse dat hij schreef als reactie op Matthijs Schuurman.

Het is uit de losse pols geschreven en daarom wat lang. Met een variant op wat een wijsgeer ooit gezegd moet hebben: Excuses voor mijn lange blog, ik had geen tijd om een korte te schrijven.


Een predikant moet er niet naar streven om Gods eigen Woord te spreken, laat staan om “in het ondermaanse iets van het spreken van God op te roepen.” Dat zou veronderstellen dat wij op enigerlei manier enige macht zouden hebben over het Woord van God en daarmee over God zelf. Dan zijn we terug bij de magie en manipulatie van het heidendom. Dat zij verre!

Vooral het Oude Testament gebruikt nogal eens de uitdrukking: “het Woord des HEERE geschiedde tot” waarna de naam van een profeet volgt. Dat is een mooie maar ook diepe uitdrukking waarin vele verschillende aspecten te vinden zijn. Slechts één aspect haal ik even naar voren: Niet wij realiseren het Woord of laten het gebeuren. Nee, Gods Woord realiseert zichzelf. Het is openbaring.

God is de sprekende God, Hij sprak in het verleden en spreekt nog waar het Woord klinkt. Niet: Hij kan spreken, maar Hij spreekt! Ja: wel waar het Woord klinkt! Dit besef is fundamenteel voor hoorder en prediker. In dit besef komen we (als het goed is) naar de kerk. God spreekt allereerst wanneer de Schriften gelezen worden. (De Schriftlezing is daarom ook het belangrijkste element van de eredienst!) Maar ook in de prediking, waarin datzelfde Woord beluisterd, nagesproken, uitgelegd en toegepast wordt. Zeker: opnieuw voor zover het Gods Woord is.

Hier hangt niets van ons af. Het is onjuist als Wisse stelt: “Voor zover de predikant de Woorden van God, zoals neergelegd in de Bijbel, getrouw weergeeft in de preek, worden de woorden van de preek de Woorden van God.”

Ten eerste de formulering dat “de woorden van God”, “neergelegd” zouden zijn “in de de Bijbel”. Dat klinkt mij te mechanisch, alsof de Bijbel een soort voorraadkastje is waarin de woorden van God opgeslagen liggen. Maar de Bijbel is Gods Woord, het is levende communicatie (viva vox evangelii). God Zelf spreekt in de Bijbel! Jawel: door woorden van mensen heen, opgeschreven in een specifieke historische context door mensen met hun eigen karakter en in specifieke omstandigheden enzovoort.

Ten tweede de formulering “voor zover de predikant” de Bijbel(tekst) “getrouw weergeeft”. Als je het zó zegt kán inderdaad de nadruk op de predikant en zijn interpretatie van de Bijbeltekst komen te liggen en dan hangt het in zekere zin dus inderdaad van de predikant af of de preek Gods Woord is. Daarom denk ik dat je het ook niet zó moet formuleren. Je kunt beter zeggen: “voorzover de preek in overeenstemming is met Gods Woord” of als zo u wilt: “met de Bijbel.”

In zekere zin is dit, zoals Theo Pleizier stelt, het poneren van “een derde instantie die dan moet uitmaken of de preek wel ‘bijbels genoeg’ is”.
Inderdaad denk ik dat er instanties zijn die dat moeten uitmaken. Dat is ten eerste God Zelf. God Zelf kan dat ook alleen uitmaken omdat Hij de Waarheid kent.

Maar – op een andere manier – ligt hier natuurlijk ook een verantwoordelijkheid allereerst bij de ouderlingen en dan ook bij de rest van de gemeente. De ambten en de gemeente hebben de woorden van de preek te toetsen. Natuurlijk niet met een houding van: Eens kijken wat hij nu allemaal weer verkeerd gaat zeggen, maar wel degelijk ook met de vraag: Is wat ik hoor ook het Woord van God? Is het ook overeenkomstig de Schriften?

Niet dat ik het oneens ben met de stelling van Pleizier dat de aanwezigheid van Christus bepaalt of de preek Gods Woord is. De verhoogde Christus staat achter de prediking. Hij is de grote Profeet en Leraar. Maar deze aanwezigheid staat niet los, noch van Zijn Geest, noch van de Schriften, noch van Zijn gemeente. De schapen horen Zijn stem (Joh. 10:3).

De prediking is dus een gedeelde verantwoordelijkheid. Gelukkig sta je er als prediker niet alleen voor! Allereerst is daar God in Christus met Zijn Geest en dan is er ook nog de gemeente, die ook door de week voor de prediker bidt, in de kerkenraadskamer gerepresenteerd door de kerkenraad. Zij draagt en bewaart de prediking.

Dat het “voor niet ingevoerde kerkbezoekers wel heel lastig is” om de preek te beoordelen op het bijbelse gehalte van de preek, vanwege “een kennisachterstand … ten opzichte van hun predikant.” Klinkt mij eerlijk gezegd erg vreemd in de oren. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.  Volgens mij lezen gemeenteleden dezelfde Bijbel als ik, al lees ik hem dan af en toe ook in het Grieks en Hebreeuws. Ook ben ik afhankelijk van dezelfde Heilige Geest als zij. John Owen zei dat hij al zijn geleerdheid wel wilde inruilen voor het geestelijk inzicht van de ketellapper John Bunyan. Als theologen worden wij academisch geschoold en gevormd om de gemeente te kunnen dienen. Maar dat neemt niet weg dat gemeenteleden mij ver vooruit kunnen zijn in geestelijke kennis en omgang met de levende Christus en ook wat betreft inzicht in de Schriften. Als prediker mag je juist ook ontvangen van de gemeente en van haar ambtsdragers!

Mijns bescheiden inziens mag een door God geroepen prediker erop vertrouwen dat God er zorg voor zal dragen dat de prediker Zijn Woord zal spreken, en dat niet dankzij onze inspanningen, maar uit Zijn genade. Ja, vaak zelfs ondanks wat wij presteren! Daarom kun je het beter nog zo zeggen:  “voor zover God er voor zorgt dat de preek in overeenstemming is met Zijn Woord.”

Daarvoor zorgt God op zeer veel verschillende niveaus die wij niet controleren. God is niet alleen betrokken bij de voorbereiding van de preek, Hij is ook betrokken bij de voorbereiding van de prediker.

Zeer terecht merkt Wisse ook op dat een preek veel meer is dan exegese, het is ook hermeneuse en toepassing, en bij dat alles is de prediker zelf (met huid en haar) betrokken! Het is daarom niet alleen onmogelijk om jezelf uit te schakelen, het is zelfs totaal onwenselijk. God neemt jou als prediker, met je eigen biografie en je eigen zwakten enzovoort in dienst. Je wordt niet uitgeschakeld maar ingeschakeld!  Het hele preekproces is zo complex dat het niet beheersbaar of controleerbaar is. Maar God beheerst het wel en Hij zal zorgen dat de prediker op de momenten dat Hij dat wil de juiste woorden, Zijn Woorden, spreekt. In zeker zin, gebruikt God alleen “kromme stokken om rechte slagen te slaan.” Hij neemt puur zondige mensen én hun woorden in dienst. Dat is natuurlijk nooit een excuus om slordig te worden, maar het geeft wel ontspanning! Het levert druk op als wij denken dat wij het klaar moeten maken. Maar dat hoeft nu juist niet, wij mogen in alle eenvoudigheid (in de zin van 1 Kon. 22:34 SV) zoals dominee Van der Poel uit Ede zei “de Bijbel een beetje nabrabbelen.” (Één van de mooiste definities van preken die ik ken.)

Even voor alle duidelijkheid. Schuurman zegt in zijn stuk ook heel duidelijk uit dat je ingeschakeld wordt en hoe. Waar we, daarin sluit ik mij bij hem aan, inderdaad bang voor mogen zijn is dat wij denken de zaak te kunnen beheersen en dat wij denken dat wij weten wat Gods Woord eigenlijk zou moeten zeggen! Daarmee kunnen we Gods Woord de mond snoeren.  Wij zijn het (zoals Schuurman en Wisse beide aangeven) niet zomaar eens met wat God zegt. Integendeel! Helaas! Prediking van het Woord is daarom ook altijd kruisiging van de oude mens. De Schrift roept altijd op tot geloof en bekering. In een bijbeltekst zit altijd ook een kritisch element: Gods oordeel gaat over ons leven.

Allereerst staat de prediker onder dit oordeel, en dan ook de hoorder. De prediker komt in die zin bij God vandaan, het tegenover van het ambt, maar juist omdat hij als zondaar naast de gemeente staat, deel van haar uitmaakt en solidair met haar is. De prediker staat zowel aan de zijde Gods als aan de zijde van de zondaar, aan de zijde van de gemeente. Misschien dat in de benadering van Wisse teveel het gevaar zit dat hij aan de zijde van de gemeente blijft staan en niet meer durft te zeggen: “Dit staat er” en “Alzo spreekt de Heere.”

Zeker, de prediker luistert samen met de gemeente naar het Woord van God! Als zondaar tussen de zondaren! Dan is de prediker geen moralist die vertelt wat God wel of niet goed vindt en zélfs niet in éérste instantie wat geloofd moet worden. Maar hij verkondigt de grote daden Gods!  Wat God gedaan heeft en nog doet.  Aan wie? Precies aan mensen die dat nodig hebben! Die nodig hebben wat ik als prediker ook nodig heb! Diezelfde genade! Daarom kun je alleen als zondaar Gods Woord horen. God spreekt altijd midden in “alle gebrokenheid en het daadwerkelijke falen in ons menselijke bestaan.” Dus je zet niet je “eigen menselijkheid positief in” Nee, je bent 100% mens en je spreekt dus ook 100% als mens. Maar wel als een mens die God wil gebruiken.

Zeker, zoals gezegd een prediker kan zich vergissen.  De preek is -in die zin- op een andere manier of modus Gods Woord dan de Bijbel! De Bijbel is bron en norm, dat is de preek niet, de preek en ook de prediker hebben altijd een afgeleide autoriteit, en die autoriteit ligt inderdaad geheel en al in de Schrift. En Wisse heeft gelijk als hij zou stellen dat de prediking niet slechts verkondiging is -dat zeker ook!- maar dat het ook samen Bijbellezen is, waardoor de gemeente ook de Bijbel leert lezen. Daarbij is de prediker en de preek niet onfeilbaar, terwijl de Schrift wel onfeilbaar is.

Dat nu wil zeker niet zeggen dat wij uit elkaar moeten gaan peuteren wat “menselijke en goddelijke woorden” zijn. Zo werkt het niet. Zo kan het niet werken. Als God spreekt in een preek, dan spreekt Hij door mensenwoorden heen. Hij wil niet anders. Wel is het natuurlijk zo dat als een hoorder meent dat iets in een preek tegen Gods Woord, de Bijbel, ingaat hij of zij dat moet onderzoeken en indien nodig met de prediker en anderen bespreken.

Hopelijk heb ik zo ook voldoende duidelijk gemaakt dat de woorden van de preek niet de Woorden van God “worden.” Nee! Zij zijn het of zij zijn het niet.  In die zin is de bewering dat de woorden van de preek “voor zover ze niet overeenkomen met de Bijbel,  mensenwoorden blijven” onbegrijpelijk. Omdat waar Gods Woord in de preek aanwezig is, de woorden van de preek net zo goed mensenwoorden zijn én blijven, alleen zij zijn tegelijk ook Gods Woord. Wel is het zo dat woorden die tegen Gods Woord ingaan, niet Gods Woord (kunnen) zijn.

Als zondaar het woord van God spreken, dat kan toch eigenlijk niet. Nee: dat kan helemaal niet!  Maar een wonder is iets dat niet kan en toch gebeurt. Het is zelfs zo: alleen als zondaar kun je het Woord Gods spreken tot mede zondaren, want God zoekt zondaren op en gebruikt zondaren. Preken kan ik niet. En het wonder is: ik mag het toch doen, maar dan wel zonder het te kunnen!

De refozuil als belemmering (?)

Hier volgt een primaire reactie van mij op het stuk van M. J. Schuurman over de
refozuil. Hij heeft mij (nog) niet overtuigd.

Wat ik vooral mis is een concretisering van de knelpunten. Als hij bijvoorbeeld
zegt dat reformatorische organisaties de leefwereld van jongeren niet kennen en
aan de vragen en behoeften van onze jongeren voorbij gaan, dan vraag ik mij af:
Welke organisaties kennen welke leefwereld van welke jongeren niet en aan welke
vragen en welke behoeften van welke jongeren gaan ze daarmee voorbij? (Geldt
dit bijvoorbeeld ook voor de SGPj, een organisatie waarin vooral jongeren zelf
actief zijn?)

Hij noemt wel een voorbeeld als het gaat over het inhoudelijke verschil dat
reformatorische organisaties (niet) maken: de reformatorische scholen. Maar dit
voorbeeld is een beetje zwak. Bij een vak als wiskunde zal het verschil
misschien minimaal zijn, maar bij godsdienst, maatschappijleer en de
dagopeningen zullen er denk ik toch wel degelijk inhoudelijk verschillen te
merken zijn. Misschien heeft hij ook op dit punt meer voorbeelden?

Ook het idee dat moeilijke thema’s in de reformatorische wereld te veel uit de
weg worden gegaan maakt hij niet concreet. Aan welke thema’s denkt hij dan
concreet?  Welke onderwerpen zijn zo precair dat alleen commissies van wijze
mannen er over mogen denken? Het feit dat het stuk van Matthijs in het RD komt
lijkt mij enigszins het tegendeel te bewijzen van wat hij beweert.

Daarmee wil ik niet ontkennen dat hier geen problemen kunnen zitten. Maar die
zitten misschien meer op het punt dat er niet (lang en diep genoeg) nagedacht
wordt, omdat we denken alles al te weten?

Volgens Matthijs ontdekken reformatorische jongeren als ze gaan studeren “dat
hun een verkeerde voorstelling van zaken gegeven is”. Dat is nogal wat! Ook wat
dit betreft zou ik wel eens willen weten aan welke punten hij denkt. Want dat
betekent dus of dat refoscholen niet goed ingelicht zijn, of dat zij moedwillig
de boel verdraaien, of een combinatie hiervan.

Wat ik niet goed begrijp is de karakterisering van het “vechten voor een
verloren zaak”. Al zou 99,9% van de bevolking in ons land de winkels open
willen op zondag en menen dat seksuele gemeenschap ook buiten een huwelijk
tussen man en vrouw beleefd mag worden, dan lijkt het mij nog een goede zaak om
de tegenovergestelde standpunten te verdedigen. (Niet om voor te vechten, want
vechten moeten we nooit doen.)

Of hier onze prioriteit moet liggen? Nee, onze prioriteit moet altijd liggen
bij de verkondiging van het Evangelie. Inderdaad, misschien is het in Purmerend
niet eens meer goed mogelijk om genoemde zaken bijvoorbeeld politiek onder de
aandacht te brengen. Maar daarmee is het nog geen verloren zaak. Wie weet komt
er weer een moment dat dit wel mogelijk is? Ook de SP is bijvoorbeeld tegen
koopzondagen. Soms keert de wal het schip. En daarbij: wat in Purmurend
misschien usance is, is het in een groot gedeelte van Nederland nog steeds
niet. (En laten we dat alstublieft zou houden.)

Inderdaad kan ook de voorbereiding van jongeren op de maatschappij beter. Het
lijkt me een goed idee om op het voorgezet onderwijs een vak als filosofie te
geven. Zeker ook wetenschapsfilosofie voor havo en VWO. En dan wel op niveau!
We moeten leerlingen juist leren de vragen te stellen, niet onze antwoorden
voorkauwen!

Inderdaad kan de reformatorische zuil een belemmering worden om als christen te
leven: als men alleen nog maar in de zuil verblijft, en niet meer in contact
komt met de rest van de wereld. Daar is de laatste tijd al het één en ander
over geschreven. (Overigens zit de wereld dan nóg in de zuil, want de wereld
zit in ons hart.)

Een zeer terecht punt dat Matthijs maakt is dat geloven, christen-zijn en
kerkgang niet vanzelfsprekend zijn. Maar… dat zijn die zaken nog nooit
geweest!  Mocht iemand dat ooit gedacht hebben dan moet hij of zij zich direct
van die gedachte bekeren!